30
DeCorso zat op een harde bank in de cel die zich in de kelder van het politiebureau op Heathrow bevond. Zijn riem, zijn schoenveters, zijn horloge en zijn papieren waren hem afgenomen. Als hij al nerveus was, dan liet hij dat niet blijken. Hij deed eerder denken aan een passagier die met vervelend oponthoud te maken had dan aan een moordverdachte.
Toen drie politieagenten hem kwamen halen, nam hij aan dat ze hem zouden begeleiden naar de vertrekhal en hem op een vlucht naar Amerika zouden zetten, maar in plaats daarvan brachten ze hem naar een kale, helverlichte verhoorkamer een paar meter verderop.
Twee mannen van middelbare leeftijd in nette pakken kwamen de verhoorkamer binnen, namen plaats en lieten hem weten dat het gesprek niet opgenomen zou worden.
‘Krijg ik nog te horen wie jullie zijn?’ vroeg DeCorso.
De man die recht tegenover hem zat, wierp hem een blik toe over de rand van zijn bril met plastic montuur en zei: ‘U bent niet degene die hier de vragen stelt.’
‘Zijn ze soms vergeten te vertellen dat ik me beroep op diplomatieke onschendbaarheid?’
De andere man snoof minachtend. ‘Diplomatieke onschendbaarheid interesseert ons geen reet. U bestaat niet en wij ook niet.’
‘Als ik niet besta, waarom zijn jullie dan in me geïnteresseerd?’
‘We denken dat iemand van jullie een van onze mensen heeft vermoord in New York,’ zei de man met de bril. ‘Weet u daar iets vanaf?’
‘Iemand van ons? Welk “ons” is dat dan wel?’
‘We gaan het als volgt doen,’ zei de andere man. ‘We zullen u vertellen wat we weten, dan omzeilen we al die flauwekul, oké? U komt uit Groom Lake. Malcolm Frazier is uw chef. Hij is pas nog in Londen geweest, toen hij een heel interessant oud boek probeerde te kopen. Maar een telefonische bieder uit New York heeft hem het nakijken gegeven. Onze man levert het boek af en voor hij verslag kan uitbrengen, wordt hij vermoord. Vanmorgen duikt u ineens op en u stinkt een uur in de wind naar de petroleum die gebruikt is voor een barbecue waarbij de oorspronkelijke eigenaar van het boek werd geroosterd.’
DeCorso’s gezichtsuitdrukking gaf niets prijs en hij reageerde niet.
De man met de bril nam het gesprek over. ‘Zo staan de zaken ervoor. U bent slechts een guppy, meer niet. U weet dat en wij weten dat. Maar we maken een gigantische walvis van u als u niet meewerkt, en daar zal uw regering niet blij mee zijn. We willen dingen weten. We willen weten wat de huidige operationele capaciteit van Area 51 is. We willen weten waarom jullie zo achter dat verdwenen boek aan zitten. We willen informatie over de Caracas-gebeurtenis. We willen weten wat we allemaal nog op ons bordje krijgen. Om kort te gaan: wij willen ook een kijkje nemen door jullie venster op de toekomst.’
DeCorso’s enige reactie was: ‘Ik heb geen flauw idee waar jullie het over hebben.’
De man nam zijn bril af en maakte de glazen schoon met zijn zakdoek. ‘We zijn bereid die valse aanspraak op diplomatieke onschendbaarheid publiekelijk aan de kaak te stellen. We zijn bereid informatie naar de media te lekken over uw rol in de brandstichting, die uw regering ernstig in verlegenheid zal brengen en uw carrière geen goed zal doen, denk ik zo. Aan de andere kant, als u besluit onze kant te kiezen, zult u merken dat die keuze u in financieel opzicht geen windeieren zal leggen. U zult de trotse bezitter van een Zwitserse bankrekening worden. Met andere woorden, meneer DeCorso, we willen u omkopen.’
DeCorso schudde vol ongeloof zijn hoofd en de nietszeggende uitdrukking op zijn gezicht verdween toen hij vol verbazing uitriep: ‘Jullie willen dat ik voor MI6 ga werken?’
‘Dat heet tegenwoordig sis. Dit is geen James Bond-film.’
DeCorso lachte schamper. ‘Ik zal het nog één keer zeggen: ik beroep me op diplomatieke onschendbaarheid.’
Er klonk een kort klopje op de deur, die meteen geopend werd. Een hoge politieofficier beende naar binnen en zei tegen de man met de bril: ‘Het spijt me dat ik u stoor, meneer, maar er zijn hier een paar mensen die u willen spreken.’
‘Laat ze maar wachten.’
‘Het zijn de Amerikaanse ambassadeur en de minister van Buitenlandse Zaken.’
‘Hun mensen, bedoelt u?’
‘Nee. Ik bedoel in eigen persoon!’
DeCorso stond op, rekte zich op zijn gemak uit en zei: ‘Kan ik dan nu mijn schoenveters terugkrijgen?’
Will en Nancy zaten zwijgend achter in een taxi die over de Henry Hudson Parkway reed in de richting van White Plains.
Nancy had Phillip tegen haar borst gedrukt en zei niets. Terug in het appartement zag hij dat ze nog steeds de details die hij haar had verteld in zich opnam, toen ze de baby van de babysitter overnam, waarna die hen alleen liet.
Hij had haar een paar kale feiten verteld; er was geen tijd voor een uitgebreid verhaal. Als eerste had hij haar verteld dat hij aanwijzingen over het ontstaan van de Bibliotheek in Cantwell Hall had gevonden. Geleerde monniken. Calvijn. Nostradamus. Shakespeare. Hij had haar ook verteld dat de Wachters hem op de een of andere manier in de gaten hadden gekregen en dat ze het huis in de brand hadden gestoken en de Cantwells hadden vermoord. En dat hij bang was dat ze nu achter hen aan zouden komen en dat ze daarom New York meteen moesten verlaten. Hij had haar niets verteld over het Finis Dierum-gedoe; daar was het niet het goede moment voor. En hij had haar ook niet verteld dat hij een overspelige, leugenachtige hufter was: daar zou het misschien nooit het goede moment voor zijn.
Nancy reageerde eerst weer woedend. Hoe durfde hij hun zoon in gevaar te brengen? Als zij dat van tevoren had zien aankomen, waarom hij dan niet? Wat moesten ze nu in vredesnaam doen? Onderduiken? Alles achter zich laten en ervandoor gaan? Zich schuilhouden in Wills nieuwe super-de-luxe camper? De Wachters waren genadeloos. Ze mochten dan alle drie bhz zijn, dat wilde nog niet zeggen dat ze er zonder kleerscheuren vanaf zouden komen.
Will incasseerde de verbale klappen zonder zich te verdedigen. Ze had gelijk. Hij was tot dezelfde conclusie gekomen.
Ze hadden haastig een paar koffers gepakt, een paar favoriete speeltjes van Phillip bij elkaar gegraaid, en hun dienstwapens en een paar dozen patronen meegenomen.
Maar voor ze vertrokken, maakte Nancy nog snel een rondje door het appartement om te kijken of alles wel uit stond, het laatste restje melk door de gootsteen te spoelen en meer van dat soort kleine dingetjes te doen. Toen ze klaar was, keek ze naar Will. Hij zat op de bank, liet Philly op zijn knie paardjerijden en werd helemaal in beslag genomen door zijn zoon die het uitschaterde van plezier. De uitdrukking op haar gezicht verzachtte.
‘Will,’ zei ze zachtjes tegen hem.
Hij keek op. Er lag een flauwe glimlach rond haar mond. ‘Ja?’
‘We zijn een gezinnetje,’ zei ze. ‘En we moeten er alles aan doen om dat zo te houden.’
De taxirit naar Westchester bood Will de mogelijkheid de zaken nog eens goed op een rijtje te zetten en in elk geval een ruwe opzet van een plan te bedenken. Ze zouden die nacht bij Nancy’s ouders logeren. Hij zou zijn schoonouders vertellen dat hun appartement ontsmet moest worden. Hij zou zijn advocaat en oude kamergenoot van de universiteit, Jim Zeckendorf, bellen en vragen of ze zijn vakantiehuisje in New Hampshire een paar dagen mochten gebruiken. Tot zover zijn plan. Misschien dat de snijdende wind die in deze tijd van het jaar vanaf het meer landinwaarts trok hem inspiratie zou brengen over een volgende stap.
Mary en Joseph Lipinski waren dolblij dat hun kleinzoon onverwacht een nachtje kwam logeren, maar maakten zich zorgen over Will en Nancy. Nancy was met haar moeder een appeltaart aan het bakken, terwijl Will in de woonkamer zat te piekeren en wachtte tot zijn nieuwe mobieltje zou rinkelen. Joseph fungeerde als babysitter en zat boven bij Phillip naar de radio te luisteren en de krant te lezen.
Eindelijk belde Zeckendorf terug.
‘Hallo, ouwe reus, ik ken dit nummer helemaal niet.’ Zoals altijd lag er een vrolijke toon in zijn stem.
‘Nieuwe telefoon,’ liet Will weten.
Zeckendorf was zijn oudste vriend, een van zijn kamergenoten tijdens zijn eerste jaar aan Harvard, toen ze met vier man een kamer moesten delen. Mark Shackleton had ook deel uitgemaakt van het viertal. En Shackleton riep altijd zowel medelijden als walging op bij Will. De man had zijn leven verpest door hem bij de Doemsdag-ellende te betrekken, waardoor hij voor altijd met Area 51 verbonden zou zijn.
Zeckendorf was van een heel ander kaliber. Dat was een kerel uit één stuk, en Will beschouwde hem min of meer als zijn beschermengel. Als Wills advocaat had Zeck hem al zijn hele leven beschermd. Elke keer dat hij in zijn maag zat met een huurcontract, een hypotheek, een personeelsprobleem op zijn werk, een scheiding of, zoals nog niet zo heel lang geleden, met een ontslag bij de fbi, had Zeck hem bijgestaan met gratis advies. Als Phillips peetvader had hij meteen een studierekening voor zijn petekind geopend. Hij bewonderde Will, die voor een carrière bij de politie en fbi had gekozen, en zag het als een nobele plicht om zijn vriend met raad en daad bij te staan.
En nog niet zo heel lang geleden was Zeck ook als zijn vangnet gaan fungeren. Toen Will aan de Wachters ontsnapte met Shackletons database uit Area 51 in zijn bezit, was Zeckendorf de uitverkoren ontvanger van een haastig geschreven en verzegelde envelop met instructies de envelop te openen als hij ooit spoorloos mocht verdwijnen.
Dat was zijn verzekeringspolis.
Hij had de Wachters verteld dat als hij niet zeer regelmatig en op gezette tijden persoonlijk contact zou opnemen met één of meer niet nader te noemen personen, de geheugenstick naar de media zou worden gestuurd. Ze hadden geen keuze dan hem te geloven. Dus het maandelijkse telefoontje naar Zeck was in feite alleen een excuus om even lekker bij te praten.
‘Altijd leuk om van je te horen, maar hebben we elkaar laatst ook al niet gesproken?’ vroeg Zeck.
‘Er is iets gebeurd.’
‘Wat is er aan de hand? Je klinkt niet best.’
Will had Zeck nooit de details verteld. Beiden gaven daar de voorkeur aan. De advocaat had bepaalde gebeurtenissen met elkaar in verband gebracht en een deel ervan begrepen. Hij wist dat de verzegelde envelop iets te maken had met de Doemsdag-zaak en met wat Mark Shackleton was overkomen. Hij wist ook dat Wills vervroegde pensioen er deel van uitmaakte, maar verder ging zijn kennis niet. Hij begreep dat Will op een of andere manier gevaar liep en dat de inhoud van de envelop hem tot op zekere hoogte bescherming bood.
Zeck had wanneer hij Will advies gaf altijd de ideale middenweg bewandeld tussen professionele bezorgdheid en speelse plaagstootjes van een oude kamergenoot.
Will zag in gedachten de bezorgde uitdrukking op Zecks gladde gezicht, en hij wist dat zijn vriend dwangmatig zijn kroezende haar zat glad te strijken, iets wat hij altijd deed wanneer hij nerveus was.
‘Ik heb iets stoms gedaan.’
‘Ach, dat is niet voor het eerst.’
‘Je weet toch dat ik een geheimhoudingsverklaring heb ondertekend?’
‘Ja, en?’
‘Ik heb de voorwaarden zo’n beetje aan alle kanten geschonden.’
Zeck onderbrak hem. De advocaat in hem nam het over. ‘Hou maar op. Laten we ergens afspreken om erover te praten.’
‘Ik vroeg me af of we een paar dagen in jouw vakantiehuis in New Hampshire mogen bivakkeren, als jullie er zelf niet naartoe gaan.’
‘Natuurlijk mag dat.’ Hij was even stil. ‘Will, is dit een veilige verbinding?’
‘Ja, ik bel met een prepaidmobieltje. Ik heb er ook eentje voor jou; dat zal ik je toesturen.’
De spanning in Wills stem was duidelijk hoorbaar. ‘Oké,’ zei Zeck. ‘Zorg goed voor Nancy en mijn petekind, eikel.’
‘Komt voor elkaar.’
Aangezien Nancy en hij onverwacht op de stoep hadden gestaan, stonden Joseph en Mary erop om uit eten te gaan in plaats van een maaltijd in elkaar te flansen van allerlei restjes. De zelfgebakken appeltaart stond bij een open raam af te koelen en zou bij terugkomst als dessert dienen. Will en Nancy waren boven in Nancy’s oude slaapkamer, die zij nu als logeerkamer gebruikten. Nancy zat aan haar oude kaptafel haar make-up bij te werken en zag in de spiegel dat Will op het bed plofte en zijn schoenveters begon te strikken. Hij zag er moe en ellendig uit.
‘Gaat het wel?’
‘Ik voel me zwaar klote.’
‘Dat is te zien.’
‘Waren het aardige mensen?’
‘De Cantwells?’ vroeg hij triest. ‘Ja. Die oude man was me er eentje. Echt zo’n excentrieke Engelse lord uit een film.’
‘En de kleindochter?’
‘Mooi. Slim.’ Hij kreeg een brok in zijn keel. ‘Ze had een heleboel om voor te leven, maar het mocht niet zo zijn.’
Will vroeg zich af of hij er zojuist een bekentenis had uitgeflapt, maar als Nancy al iets vermoedde, liet ze er niets van blijken. ‘Heeft Jim je nog teruggebeld?’
‘Ja. We mogen zijn huis in Alton gebruiken. Daar vinden ze ons niet. Ik heb een prepaidmobieltje bij me voor je ouders, zodat jullie contact kunnen houden.’
‘Nou ja, pap en mam zijn in elk geval blij. Zij hebben onverwacht Philly een nachtje te logeren.’
Frazier haatte het om afhankelijk te zijn. Alsof hij een slaaf was die zich om de paar uur bij zijn meester moest melden, en wanneer hij dat niet op tijd deed, belde Lesters assistent hem. De toestand met DeCorso had zijn lot bezegeld. Hij kreeg de ellende op zijn bordje geschoven.
Lester nam op. Op de achtergrond hoorde Frazier geroezemoes en het geluid van klinkende glazen, alsof Lester zich op een feestje bevond. ‘Momentje,’ zei Lester, ‘ik zoek even een rustig plekje op.’
Frazier zat alleen in zijn auto. Hij had zijn mannetjes ondanks de kille avond de wagen uit gezet om een beetje privacy te hebben. Ze bleven nors in de buurt rondhangen en twee van hen staken een sigaret op.
‘Oké, ik ben er weer,’ zei Lester. ‘Hoe is de stand van zaken?’
‘Het is voor elkaar. Nu moeten we afwachten.’
‘En de slaagkans?’
‘Groot. De kans op succes is groot.’
‘Ik kan niet nog een blunder gebruiken, Frazier. Dat jouw mannetje gepakt werd, heeft meer ellende veroorzaakt dan je je kunt voorstellen. Tot in de hoogste regionen. Ik heb gehoord dat de Engelse premier de president heeft opgebeld, die net op de plee zat, en hem de huid heeft vol gescholden. Hij ging maar door over geschonden vertrouwen tussen bondgenoten, schade die aan hun speciale relatie was toegebracht enzovoort, enzovoort. En alsof dat nog niet genoeg was, dreigden de Britten de steun van hun marine bij Operatie Helpende Hand in te trekken, en ik hoef jou niet te vertellen dat ik dan zwaar in de problemen kom. Je hebt geen idee van de logistiek die bij zo’n operatie komt kijken. Operatie Helpende Hand is bijna net zo groot als de inval in Irak. Zodra de Caracas-gebeurtenis een feit is, moeten we klaarstaan om in actie te komen. Met of zonder de Britten.’
‘Ja, meneer, dat begrijp ik,’ zei Frazier mat.
‘Dat vraag ik me af. Nou ja, hoe dan ook, er is een beloning naar je onderweg. Omwille van de lieve vrede heeft de president de Britten toestemming gegeven een kijkje in de keuken van Area 51 te nemen. Voor het eerst in de geschiedenis. Ze sturen volgende week een sis-team en jij bent hun gastheer, in je allerbeste humeur. Maar ik beloof je één ding: Frazier, als je deze missie ook verknalt, maak ik eigenhandig een gastvrouw van je.’
Op de terugweg van het etentje in een Applebee’s maakte Joseph een korte tussenstop bij een ups-vestiging, zodat Will een mobieltje naar Zeckendorf kon sturen. Phillip lag lekker te slapen in het autostoeltje. Toen Will weer in de auto stapte, zei hij dat het behoorlijk kil aan het worden was, alsof de regen elk moment in ijzel kon veranderen. De altijd zuinige Joseph grinnikte en zei: ‘Ter ere van Philly zal ik vannacht de verwarming aan laten.’
Thuis maakten ze het zich gemakkelijk en de oude kolenkachel in de kelder pruttelde er vrolijk op los. Nancy zei dat ze Philly naar bed ging brengen en daarna nog even in bed wilde lezen. Mary en Joseph verdwenen in hun eigen slaapkamer om tv te kijken en Will bleef alleen achter in de woonkamer, hondsmoe maar te onrustig om te gaan slapen.
Ineens werd hij overspoeld door een dringende behoefte aan alcohol, niet aan een glas van de merlot die Joseph altijd in huis had, maar aan een flinke bel whisky. Hij wist dat de Lipinski’s niet van sterkedrank hielden, maar hij ging toch op onderzoek uit voor het geval ze een fles cadeau hadden gekregen. Hij had geen succes, dus pakte hij Josephs autosleutels en hij sloop het huis uit.
Hij reed in de richting van Mamaroneck Avenue, de grote trekpleister in White Plains, en zette de auto bij een parkeermeter vlak bij Main Street. Het was een kille, regenachtige avond en er liepen niet veel mensen op straat. Hij zag iets verderop één gebouw dat vrolijk verlicht was, het nieuwe Ritz Carlton Hotel, en liep er op een drafje naartoe terwijl hij de kraag van zijn jas opzette.
De bar bevond zich op de tweeënveertigste verdieping van de wolkenkrabber en Will genoot van het uitzicht in een gemakkelijke fauteuil. Hij keek in zuidelijke richting en zag Manhattan als speldenprikjes van licht in de duisternis opgloeien. Het was rustig in de bar. Hij bestelde een Johnnie Walker en beloofde zichzelf dat hij het rustig aan zou doen.
Een uur en drie glazen later was hij niet stomdronken, maar ook niet nuchter meer. Hij was zich er vaag van bewust dat drie vrouwen van middelbare leeftijd aan de andere kant van de bar naar hem keken en dat de serveerster erg veel aandacht aan hem schonk. Daar was hij aan gewend. Dat overkwam hem altijd en meestal maakte hij daar volop gebruik van, maar vanavond was hij er niet voor in de stemming.
Wat was hij toch naïef geweest om te denken dat hij door een geheimhoudingsverklaring te tekenen het hele gedoe met de Bibliotheek achter zich kon laten zonder die kennis en de wetenschap dat zijn lot vaststond als een last met zich mee te dragen. Hij had geprobeerd het van zich af te zetten door gewoon verder te gaan met zijn leven en de gedachte aan predestinatie niet als een blok aan zijn been mee te sjouwen. En een tijdje was dat hem ook gelukt, tot Spence en Kenyon in hun camper zijn leven binnentuften.
Nu zat hij er tot zijn nek in. Het idee dat alles van tevoren vastlag, voelde aan als een wurggreep om zijn keel. Dat Isabelle en haar grootvader zouden sterven omdat hij hen zou bezoeken. En dat Spence hem zou overhalen om naar Engeland te gaan. En dat hij vanwege de Doemsdag-zaak met vervroegd pensioen zou gaan. En dat Shackleton de database zou stelen en misdaden zou begaan. En dat hij Wills kamergenoot op de universiteit zou zijn. En dat Will de atletische en intellectuele vermogens zou bezitten om op Harvard te komen. En dat Wills alcoholistische vader ’m overeind zou krijgen op de avond dat hij verwekt werd. En ga zo maar door.
Genoeg om iemand stapelgek te maken, of in elk geval naar de fles te laten grijpen.
Om drie uur stond hij op om de rekening te betalen. Hij wilde ineens naar huis; met flink wat kabaal in bed stappen zodat Nancy wakker zou worden, haar in zijn armen nemen, haar nog een keer zijn spijt betuigen en zeggen hoeveel hij van haar hield, en als ze dat wilde de liefde bedrijven, zodat hij absolutie kreeg. Hij haastte zich terug naar zijn auto en tien minuten later sloop hij het warme, gezellige huis van de Lipinski’s binnen.
Hij kleedde zich op de rand van het bed uit terwijl de regen op het dak tikte. Philly lag vredig te slapen in zijn wiegje. Hij schoof onder de dekens en legde zijn hand op Nancy’s dij, die warm en glad aanvoelde. Hij voelde zich een beetje duizelig. Hij zou haar eigenlijk moeten laten slapen, maar hij wilde dat ze wakker werd. ‘Nancy?’ Ze bewoog niet. ‘Schatje?’
Hij gaf haar een duwtje; geen reactie. Nog een duwtje. Hij schudde aan haar arm. Niets!
Hij schoot geschrokken overeind en deed het licht aan. Nancy lag op haar zij en werd niet wakker van de felle plafondlamp. Hij rolde haar op haar rug. Haar ademhaling was oppervlakkig en haar wangen waren zo rood als kersen.
Op dat moment drong het tot hem door dat zijn hersens traag werkten. Het kwam niet door de alcohol, maar ze werkten wel langzaam, als een versnellingsbak die niet soepel meer schakelde vanwege troep tussen de tandraderen. ‘Gas!’ schreeuwde hij zo hard mogelijk, waarna hij moeizaam overeind kwam en beide ramen wagenwijd opende.
Hij boog zich over het wiegje heen en tilde zijn zoon op. Philly was slap en zijn huid leek wel glanzend rood plastic. ‘Joseph!’ schreeuwde hij. ‘Mary!’
Hij begon de baby mond-op-mondbeademing te geven en rende de trap af. Hij greep de telefoon in de hal, deed de voordeur open, legde zijn zoon op de welkomstmat neer en viel op zijn knieën. Hij blies de levensreddende zuurstof in de neusgaten en de mond van zijn zoontje en belde tussen de bedrijven door het alarmnummer.
Daarna nam hij een wanhopige beslissing: hij liet de baby op de deurmat liggen en rende terug naar binnen terwijl hij luidkeels Nancy’s naam riep, als een man die de doden probeert te wekken.